The Field – Infinite Moment

Het nieuwe, inmiddels zesde album van The Field is misschien wel z’n beste (dit zeg ik natuurlijk on the spur of the moment). Het is niet dat hij iets nieuws doet, maar wat hij doet is dusdanig feinjustiert dat Infinite Moment, zoals het album toepasselijk heet, aanvoelt als ware het de essentie van zijn sound geabstraheerd in zes perfecte miniaturen. Ornament — zoals bijvoorbeeld de wezensvreemde Kraut-uitstapjes op Yesterday and Today — is weggestript, de tijd is permanent synchroon, zoals de titel weergeeft: je waant je steeds in het nu, terwijl de tijd in indefinitum door lijkt te lopen. De nummers hadden ook langer kunnen duren. De muziek gaat door, en toch verandert er niks behalve het intenser wordende genot dat beleefd wordt. Temporele desoriëntatie — versnelling dan wel vertraging — verpakt als drogerende bedwelming.

Is dit niet waar het in House om draait? Lyriek door middel van een kickdrum, een hi-hat en een baslijn, gestapelde samples van vocalen, en zalige filters, die een prettig wazig geluid onder weggemoffelde, vertraagde ritmes creëren (zoals op track 1). Het klinkt zo simpel, maar je moet er wel de juiste popvingers voor hebben. The Field is de Mozart van de hedendaagse Microhouse, en Infinite Moment is een voortreffelijke plaat voor eindeloze huisdraaibeurten.


Om – Advaitic Songs

OM’s vijfde album borduurt voort op de op voorganger God is Good begonnen verfraaiing van hun kenmerkende basale drum & bass doom/drone-metal, dat op derde, en in hun œuvre centrale album Pilgrimage uit 2007 (geproduceerd door Steve Albini en Bob Weston!) zijn definitieve beslag kreeg. Sinds dat album kiest OM ook voor een idiosyncratische, herkenbare beeldspraak voor de muziek: de hoezen worden gesierd door Byzantijnse, Oosters-orthodoxe iconen. Dat is toepasselijk: de muziek weerspiegelt de vreemdheid en vroomheid die uit dergelijke iconen spreekt. Is dit ironie? Ik denk het niet, maar datzelfde kun je je ook afvragen bij doorsnee metal. En de idiotie van metal-imagery wordt doorgaans nooit ter discussie gesteld, dus laten we dat bij OM ook niet doen. Ik ga er eigenlijk vanuit dat de oosterse cq. oosters-orthodox-religieuze invloed diep in de muziek van OM doorgesijpeld is, en dus een serieuze aangelegenheid is voor OM-constante Al Cisneros. De naam voor de band is niet voor niets zo gekozen!

Meer lezen over “Om – Advaitic Songs”

KTL: metal machine music

KTL – IV (Editions Mego 2008)

De eerste twee cds van KTL waren veelbelovende declaraties van Verfransung in de popmuziek. Ze brachten namelijk bij elkaar wat tot dan toe streng gescheiden gehouden werd: het metal genre en electronica. Zelfs het beeldmateriaal is een grensoverschrijdende mengelmoes. Het voor metal typische morbide visuele symbolisme is prettig voor het moderne oog gemaakt. Ook op het nieuwste album is dat zo. Het gotisch schrift, het doodshoofd, de kruizen en zwaarden zijn dusdanig gestileerd dat je de plaat niet voetstoots aanziet voor de zoveelste black, doom of drone metal cd. De paarden- en bizonkop op de binnenkant van het inlegvel zorgen voor een bijna komische noot. Het is allemaal erg smaakvol, gespeend van doom teenager romantiek en wederom in monochromie uitgevoerd. Ook die nutteloze obi-strip die je normaliter alleen op Japanse import vindt is niet te versmaden.

Meer lezen over “KTL: metal machine music”

Junior Boys – Begone Dull Care (2009)

De derde van Jeremy Greenspan en Matt Didemus is hun meesterwerk. De lijn die op So This is Goodbye werd geïntroduceerd wordt hier voortgezet, terwijl tegelijkertijd de sound nog meer verfijnd is. Het debuut Last Exit was natuurlijk een geniale vondst, een juxtapositie van two-step en lijzige rationeel-emotieve pop, maar ook een artificieel huwelijk tussen ‘nu’ en ‘van alle tijden’. Nog beter dan op So This is Goodbye wordt op Begone Dull Care de blanke soul perfect gematcht met afgemeten beats en afgeronde synthesizergeluiden, zonder een glitch of breakbeat in zicht. Het is aufgeklärte, precieze pop.

Meer lezen over “Junior Boys – Begone Dull Care (2009)”

Thomas Köner – La Barca (2009)

Nooit zo zeker hoe je dit moet beluisteren: is het muziek of gewoon ’n goedkoop samenraapsel van found sound? Hoe Köner, wiens Porter Ricks platen mij zeer dierbaar zijn, het ook doet, op het minimalistische Zyklop, het laatste solo-album van alweer 7 jaar geleden, pakte de beluistering behoorlijk aangrijpend uit (niet sentimenteel bedoeld). Muziek voor in het vliegtuig, voor een vlucht van pakweg 3 uur of zo. Goed voor psychosonische conditionering of sonische psychotherapie. En d’r zit compositie in, dus dat maakt het tot muziek. Op deze nieuwe, La Barca, bevinden we ons, verdeeld over 12 tracks, op 12 verschillende breedtegraden ergens op aarde. Klinkt gekunsteld op papier, maar op de plaat is het intrigerend genoeg om, geholpen door de golven van bas en synth, in de schijnbare glossolalia toch punten van herkenning te ontwaren: mensen in hun dagelijkse en niet zo dagelijkse doen (wat te denken van katholieke gebedsvoorgang?), nietsvermoedend door de artiest Köner, bijna autoritair, ondergedompeld in een auraal bad. Niet dat die menselijkheid noch dat autoritaire belangrijk is. Zoals dat in de psychotherapie vanzelfsprekend is, gaat het om het effect. La Barca is gesubsidiëerd effectbejag als muziek. High art indeed en die ronkende Russische vrachtwagensound aan het begin van de 3e track is cool.


Animal Collective – Merriweather Post Pavillion (2009)

De plichtmatige verwijzingen naar The Beach Boys wanneer het Amerikaanse Animal Collective ter sprake komt zij de popscribenten vergeven. De laatste cd — hun achtste als we live-album Hollinndagain meerekenen — lijkt op het eerste gehoor immers hun regelrechte Pet Sounds-album te zijn geworden. Zelf ontkennen ze direct beïnvloed te zijn, maar het vocale ensemble van zangers Dave Portner (aka Avey Tare) en Noah Lennox (aka Panda Bear) doet toch wel erg denken aan The Beach Boys, al zullen ze nooit het technische niveau van de stemmenacrobatiek op een Good Vibrations of This Whole World kunnen evenaren.

Meer lezen over “Animal Collective – Merriweather Post Pavillion (2009)”

Musica Elettronica Viva – MEV40 (2009)

Het is moeilijk voor te stellen, maar in de late jaren zestig was zelfs Rome in de ban van de revolutie. Dat had ook z’n culturele effect. Een keur aan free jazz coryfeeën zoals Don Cherry en Ornette Coleman en avant-gardisten zoals Takehisa Kosugi, LaMonte Young en Nam June Paik waren veelvuldig te zien en te horen in de stad. Ook het legendarische The Living Theater was er actief. Het was een ideale creatieve omgeving voor Musica Elettronica Viva, afgekort als MEV, een anarchistisch collectief van Amerikaanse conservatoriumstudenten die in de geest van de tijd besloten het roer radicaal om te gooien. Ze vertoefden in Trastevere, de aantrekkelijke wijk aan gene zijde van de Tiber en creëerden zomaar ex nihilo.

Meer lezen over “Musica Elettronica Viva – MEV40 (2009)”

Musica Elettronica Viva – Huddersfield Contemporary Music Festival 2009, vrijdag 27 november (live-verslag)

Het is slechts sporadisch dat ze optreden. En als er zich dan een kans voordoet om ze live in actie te zien, dan is er weinig dat je verhindert af te reizen naar, in dit geval, het Engelse Pennine-district voor een avondje marginaliteit in de provincie. Het gezelschap Alvin Curran, Richard Teitelbaum en Fredric Rzewski behoort tot de grand-duchy van de improv. Als MEV zijn ze gedrieën, al dan niet aangevuld met andere musici, al ruim veertig jaar bezig met het ter plekke op vrije wijze creëren van gestructureerd electro-akoestisch geluid. In tegenstelling tot jazz — doorgaans geen echte improvisatie — laat MEV er zich op voor staan dat wat ze ten gehore brengen genuine improvisatie is. In de post-concert talk werd dat even duidelijk bevestigd, ofschoon Teitelbaum, de bedachtzame Newyorks-joodse intellectueel met oosterse inslag, zijn vroegere voorliefde voor Coleman en Coltrane niet wenste te verloochenen. Ook het feit dat wijlen Steve Lacy tot voor zijn dood nog deel uitmaakte van MEV zegt genoeg.

Meer lezen over “Musica Elettronica Viva – Huddersfield Contemporary Music Festival 2009, vrijdag 27 november (live-verslag)”

Zwischenwelt – Paranormale Aktivität (2011)

Paranormale Aktivität, uitgebracht op Richard D James’s Rephlex label (!), is een overtuigend concept-album dat het werk van Kraftwerk of Dopplereffekt had kunnen zijn (Gerald Donald is dan ook een van de leden van Zwischenwelt): klinische electro beats met ditto Sprechstimme-achtige vocalen — van Beta Evers (echte naam: Brigitte Enzler) — tegen een spookachtige ambient achtergrond, dat soms ook aan Coil doet denken. Het monotone, welhaast lijzige Duits-geaccentueerde Engels van Frau Evers maakt het er alleen maar dreigender en ijziger op: een toonbeeld van orkestraal-vocale samenhang dat ook nog conceptueel geïntegreerd is.

Meer lezen over “Zwischenwelt – Paranormale Aktivität (2011)”

Lithics – Mating Surfaces (2018)

Het is lang geleden dat ik zo’n goede indie-gitaar/punkrock-plaat heb gehoord. Alles klopt: de scratchy, scrawny gitaar, de stuwende, strakke bas, de meppen van de man achter de traps, de monotone vocalen. De sound klopt, de plaat is precies lang genoeg: geen nummer duurt langer dan nodig om zijn essentie over te brengen. Voor de hand liggende referenties zijn Pink Flag-periode Wire, vroege Gang of Four, The Fire Engines, de vroege Rough Trade Fall (vooral het nummer Still Forms lijkt rechtstreeks afkomstig van Grotesque of Slates, met dat iele gitaartje dat door Marc Riley ingespeeld had kunnen zijn)—de heilige graal van post-punk dus. Maar ik hoor ook echo’s van het Nuyoricaanse vroege jaren ’90 queer core-gezelschap God-Is-My-Co-Pilot (de vroege platen Speed Yr Trip, I Am Not This Body en Straight Not), de dissonante gitaar-exercities van vroege Sonic Youth (m.n. op het wat langere nummer Boyce), en ook van het debuut van het Londense Ikara Colt uit 2002 (Chat and Business), wat die laatste betreft vooral de punky velociteit die sommige tracks op Mating Surfaces kenmerken.

Meer lezen over “Lithics – Mating Surfaces (2018)”
Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag