Sonic Youth — Goo


‘It’s the codas, stupid!’

Over Goo is natuurlijk al veel gezegd en geschreven. Persoonlijk vind ik het een hoogtepunt in hun lange oeuvre. Velen zien het als hun pop-album. Maar dat is denk ik niet juist, of althans niet helemaal. Getuige de aandacht die de plaat in de media (MTV!) kreeg damals, en het feit dat voor elke track een aparte video werd gemaakt, is dat wel te begrijpen; het droeg bij aan de reputatie die de plaat heeft opgebouwd. Maar Goo is veelmeer een flirt met de mainstream, met pop. De muziek zelf is nauwelijks mainstream te noemen: de schone schijn die menigeen er in pleegt te horen, bedriegt. Ik kan me nog herinneren dat in een krantenrecensie werd geklaagd over het feit dat nu Sonic Youth eindelijk songs met kop en staart afleverden, ze toch nog verzandden in ellenlange, onnodige noise-escapades aan het eind van ieder nummer, op plaat zowel als live. Dit geeft het misverstand goed weer: it’s the codas, stupid! Niet de liedjes! Die noise-escapades zijn de essentie —— het is ook niet voor niets dat het Sonic Youth was die, in dezelfde periode, Neil Young de suggestie aan de hand deden voor zijn plaat Arc, een opwindende aaneenrijging van de noisy codas van tracks die hij samen met Crazy Horse tijdens de luidruchtige Weld-tour speelde, een tour waarvoor Sonic Youth overigens het voorprogramma verzorgden, tot ontsteltenis van de Neil fans.

Goo is een perfect amalgaam van de avant-sound die ze aan Branca hadden ontleend en glitzy rock-chique. De liedjes zijn slechts het veneer van wat er onder de oppervlakte van de tracks tiert en raast. Goo grijpt terug op de gelaagde en uiterst dynamische avantgarde sound van Bad Moon Rising en Evol na de relatief vlakke en afgeknepen sound van Daydream nation, maar met behoud van de songstructuren van die laatste LP. Goo is de sublieme versmelting van de eerieness en urban gothic van Bad Moon Rising en de strakke punkiness van Daydream Nation en de noiserock-abandon van Sister. Het verhoogde studiobudget droeg ook op niet onaanzienlijke wijze bij aan de nieuw ontstane sound. Lee Ranaldo heeft wel eens geklaagd over de te grote gelaagdheid in de sound van Goo. Maar die gelaagdheid geeft juist goed die avantklanken weer die je met een kleiner budget niet of niet op dezelfde manier ten gehore kan brengen (vergelijk het eindresultaat bijvoorbeeld met de Goo demos). Luister nu eens naar de lyrisch makende boventonenreeksen op Kool Thing, die tussen 2:20 en 3:20 allengs luider en intenser worden. Waarachtig subliem genot voor avant-oren. De dynamiek van het album is enorm, zeker vergeleken bij die van Daydream Nation (geenszins een slechte plaat, begrijp me niet verkeerd — Daydream is onovertroffen in haar strakheid).


Goo vs. Dirty

De extreme dissonantie die heel Goo doordesemt was goeddeels gedomesticeerd toen opvolger Dirty verscheen, in de zomer van 1992. Ik heb die plaat diezelfde zomer tijdens een autovakantie in Portugal gigantisch vaak gehoord —— ik kocht de plaat letterlijk 1 dag voor vertrek, je moest de muziek toen nog overzetten op cassette om er buitenshuis ook van te kunnen genieten! Ik was destijds als fan enthousiast, maar inmiddels is, in tegenstelling tot Goo, de glans ervan af. Ik denk dat dat te maken heeft met de sound. De productie van Butch Vig, maar vooral de mix van Andy Wallace is hier debet aan. Hetzelfde duo was ook verantwoordelijk voor de radiovriendelijker klank van Nirvana’s Nevermind, waar op zich niets mis mee is (ik verkies Nevermind al met al boven Bleach). Wallace was tot dan toe voornamelijk bekend als producer van Slayer, The Cult en Sepultura, niet bepaald punk of avantgarde — in tegenstelling tot Butch Vig die bekendstond om zijn productiewerk voor Die Kreuzen, Laughing Hyenas en Killdozer. Moore wilde Vig voor een Kreuzen-achtige hardcore sound op Dirty. Dat is maar zeer ten dele gelukt. Dirty klinkt letterlijk veel een- dimensionaler dan Goo, maar ook niet echt hardcore. Meer grungy rock, minder avantnoise. Noisy elementen zijn natuurlijk behouden gebleven in heerlijke tracks zoals Swimsuit Issue en Drunken Butterfly, en op het afgemeten Nic Fit (een cover van The Untouchables) werd direct gerefereerd aan vroege 80s hardcore, maar daar staan volstrekt nietszeggende aan mainstream-rockfans appellerende tracks tegenover zoals single 100% en vooral Sugar Kane, het slechtste Sonic Youth nummer tot dan toe; een ‘first’ dat er op een Sonic Youth-plaat überhaupt een slecht nummer stond!

Het dissonante DNA van de oude Sonic Youth (Bad Moon Rising, Evol en Goo dus) werd in het begin van de 90s het sjabloon voor nieuwe bandjes zoals The Swirlies en vooral Polvo, die tentatief en zoekend songs bouwden rondom staketsels van noise, drone en dissonantie, en niet slechts noise gebruikten als ornament zoals bij veel alt-rock, dat op dat moment in opkomst was. Waar Sonic Youth, vooral op zo’n plaat als Experimental Jet Set, Trash and No Star (die titel is veelzeggend) alleen nog maar aan zelfreferentie deden en commentaar leverden op de bestaande scene — neem nou zo’n nummer als Screaming Skull, een zuiver nostalgische mijmering over the days of yore van SST, hét indie-label van de 80s — stampten regelrechte SY-erfgenamen Trumans Water, Polvo en Swirlies, met in hun slipstream Pitchblende, New Radiant Storm King, Unwound, en andere bandjes, terzelfdertijd een geheel nieuwe, frisse noiserock-scene uit de grond waar dissonantie king was. Ik wist waar mijn aandacht naar uit moest gaan. Sonic Youth was op dat moment alleen nog maar painting by numbers.


Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag