
AUTECHRE—Confield (Warp 2001)
Autechre’s ontwikkeling van IDM-duo, met z’n duidelijke wortels in hiphop en electro, tot softwaremanipulators is een gestage abstrahering uit het prettig-conformistische moeras van elektronische dilettanten. Nadat ze vanaf Chiastic Slide hun eigen software gingen ontwikkelen voor hun platen werd het allengs ijler en rauwer. Hoogtepunt is Confield uit 2001, een gothisch monster dat verklankt hoe de maatschappij aan het begin van het nieuwe decennium als het ware een Frankenstein-lab is dat door z’n rationele beginsel voor experimentatie consequent te vervolgen de grootste gedrochten produceert. Het principe van de wetenschap komt erop neer dat je eruit haalt wat je erin legt. De natuur kan soms onverwachte verrassingen opleveren. Autechre is de perfecte configuratie van a-sociale kunst die toch streng refereert.

✒
AUTECHRE—Oversteps (Beat Records 2010)
Tegenwoordig krijg je bij voorbestelling lang voordat de fysieke cd (of lp) beschikbaar is al de MP3 files (en in dit geval ook de superieure 24 bit/96 kHz files) in je winkelwagentje. Dat blijkt bijna altijd een verkeerde impressie te geven van de actuele muziek: nu ook weer met de nieuwe Autechre. Hij is in Europa officieel nog niet uit, maar in Tokyo heb ik de cd al op 3 maart op de kop getikt (bovendien met een extra track, zoals gebruikelijke voor de Japanse versies). Over de stereo is de kennismaking eenmaal thuis dan toch weer fris, die de beluistering via de laptopspeakertjes doet vergeten. Autechre moet je in stereo beluisteren op de juiste apparatuur om de dichtheid en gelaagdheid van de sound te kunnen appreciëren.
Vaak wordt Autechre van moeilijkdoenerij beschuldigd — natuurlijk onterecht: want een projectie van eigen burgerlijke warsheid van complexiteit — en wanneer nu dan alom wordt gezegd, alsof men, om contrair te doen, teleurgesteld is, dat Oversteps veel toegankelijker is dan voorgaande platen (waarbij men Quaristice dan even vergeet, lijkt wel), is ook dat weer een misvatting. De sound van Æ op Oversteps is bedrieglijk open en melodisch. Het experiment is evenwel geenszins weggewimpeld, ook al doet de plaat somtijds denken aan hun eerdere pre-software tijdperk circa Amber en Tri Repetae, met een bijna melancholische intentionaliteit. Wat ik hoor, bijvoorbeeld op See on see of krYlon, is polyfone muziek met referenties (of quasi-referenties) aan premoderne, renaissance muziek in het gebruik van toetsen/synths, een focus op textuur en minder nadruk op het percussieve. Soms lijkt het of Booth en Brown letterlijk op een treated klavecimbel spelen. D’r zitten een aantal non-descripte tracks tussen, zoals Qplay, maar al met al is Oversteps gewoon weer averechts Æ. Bloedmooi electronisch experiment dus.
✒

AUTECHRE—Exai (Warp 2013)
Men weet dat echte verrassingen bij Autechre (Æ) bijkans uitgesloten zijn, en toch wacht men, als onverbeterlijke fan, met spanning af: hoe zal de nieuwe klinken? Is Æ nog wel avant-garde, ruim vijftien jaar na hun absolute meesterwerk Confield, ontegenzeglijk het toonbeeld of archetype van computer-gecomponeerde populaire electronische muziek? Het in 2010 verschenen Oversteps was mijns inziens een welkome afwisseling, een perfecte studie in expressiviteit in electronica, waarmee Æ nu eens niet focuste op beats, maar op textuur en klankkleur. Die gang lijkt op Exai weer teruggedraaid ten faveure van platen als Draft 7.30 en Untilted, met kleine wenkjes naar het meer ambiente werk uit midjaren negentig en de abstract-experimentele miniaturen van LP5 en EP7. Opmerkelijkerwijs eindigde Exai in THE WIRE top-50 vrij hoog op nummer 13 — opmerkelijk, omdat THE WIRE graag wordt gezien als een blad dat op de hoogte is van de nieuwste trends, en Æ is nou niet bepaald hip.
De eerste track Fleure: kletterende beats tegen een achtergrond van een fijnzinnige melodie, het tweede subject, gepunctueerd door sonore drilboren en scherpe, tsjilpende noise-geluidjes die de cadens doorbreken. De kletterende beats houden stil, de sonore trillingen zetten zich voort, de break treedt in bij pakweg 4 minuten. Het is een zoektocht naar melodie, bijna; dan willekeurige beats/sounds/glitches. Rene Hell-achtige drumbeats pakken een andere melodie op. Is de Hell-referentie intentioneel of is het gewoon het type software dat hier wordt gebruikt? Niettemin, Fleure is een fantastische opener.
Tweede track, het ruim 10 minuten durende Irlite, doet onmiddellijk denken aan het meer orkestrale Oversteps, het wat mij betreft geniale understated staaltje van expressiviteit en door sommigen miskende album van 3 jaar eerder, ofschoon ook hier, op Irlite, de snares een persistente backbeat verschaffen en de klankkleur iets donkerder is. De ruimtelijke synth pads die weerklinken, en de daarop ingezette harmonische melodielijn, appelleren aan pure schoonheid. Hoezo geen emotie? Dit is Æ op z’n meest lyrisch en glanzend, net zoals we op Oversteps konden horen, of inderdaad op het veelgeroemde Amber of Tri Repetae, waarnaar veel onverbeterlijke romantici die afhaakten bij het duistere, en verwrongen Confield (of nog eerder, het merendeels door de critici veronachtzaamde Chiastic Slide uit 1997) terugverlangen. De bassen van Irlite zijn overigens behoorlijk prominent. Fantastische symfonische electronica, met een wijdse dynamiek die vaak ver te zoeken is in de meeste electronica. Je zou het ‘prog-tronica’ kunnen noemen.
Volgende track Prac-f, met zijn wild echoënde electro beat-o-logie, is weer wat stroever en abstracter en ligt meer in de lijn van sommige tracks op Draft 7.30 of zelfs Confield, of inderdaad een wat zwaardere versie van nummers op LP5. FACT MAGAZINE spreekt toepasselijk over M. C. Escher-achtige recalibreringen van wat in grond der zaak electro-muziek is. Niet verkeerd. Jatevee C is, met z’n typische snare-sound, al genoemd als Æ-gone-dubstep gelardeerd met een typisch abstract Æ synth-riedeltje, maar overtuigt mij het minst. Als dit inderdaad ontleend is aan dubstep dan voegt het niet heel veel toe. Beter om het gewoon als door-de-bank Æ te beluisteren. Niet slecht, maar ook geen hemelbestormend nummer.
T ess xi is vrij standaard klassieke Æ, met knisperende, softe beats; doet denken aan de Cichlisuite EP, circa 1997, met de harde ritmes die volgen dan weer direct geplukt van de geniale Anvil Vapre EP tegen een licht monotoon ambient-tapijtje. Heel aardig, maar het gevoel bekruipt je dat Æ dit eerder, en beter heeft gedaan. Het is opvallend hoe ondanks de noise van de door elkaar lopende ritmepatronen het geheel behoorlijk harmonisch en recht vooruit klinkt: geenszins zo tegendraads, laat staan claustrofobisch, als op Confield bijvoorbeeld. vekoS, met z’n stroeve melodielijn die nergens heengaat, komt ook te bekend voor: vekoS is een platitudineuze cul-de-sac, een noisy ritmisch niemendalletje dat weinig bevredigt en ook te lang duurt.
De stompe, logge ritmiek van Flep laat zien dat Æ ook letterlijk lelijke muziek kan maken. Flep is een pronkstuk van lompheid, met scherpe synth-flarden die nog enige voortjakkerende dynamiek aan het op zich ontzettend logge nummer verschaffen. Contrapuntisch componeren is kenmerkend voor Æ, en geeft daarmee in essentie simpele structuren toch nog die karakteristieke stompigheid mee; maar zoals bij vekoS is Flep vooral een muzikale road-to-nowhere: lineaire opbouw zoals op Confield tracks is er niet, lineaire repetitie des te meer. Flep is essentieel Æ, en ook goed, maar ik waag te betwijfelen of nieuwkomers met zo’n nummer instant Æ aficionados worden.
Tuinorizn begint dan veelbelovender met het aanzetten van een melodielijn die een lyrische, meer complexe, ontwikkeling in zich draagt en niet verdwijnt in zijn eigen autistische gedreun. De busyness van de bassy dreuntjes tegen een simpele serie viermaats klappen lijkt echter meer dan het is, waarbij de quasi-radiofonologische geluidjes aan het eind niet veel meer toevoegen; maar toch leuk nummer. De echo en met veel delay geproduceerde aanvang van bladelores is, zo lijkt aanvankelijk, Æ-goes-Basic Channel, maar al snel is duidelijk dat Æ gewoon Æ nadoet. Bladelores komt over als een aquatisch dansnummer dat eigenlijk te traag is om op te dansen, maar wel meer dan 12 minuten voortduurt, het langste nummer van de plaat; zoals de Engelsen zeggen: ‘it long outstays its welcome’. En zo eindigt cd 1 (plaatkant D) niet echt overtuigend. Meer Æ als painting by numbers.
CD 2 of plaatkant E, met het nummer 1 1 is, begint met dezelfde stramheid als op Flep, maar doet ook denken aan de abstracte miniaturen van het wat oudere Æ uit de jaren negentig (circa Chiastic Slide en vooral LP5 en EP7). Het licht atonale, bijna mediëvaal aandoend intermezzo van na pakweg 4 en 1/2 minuten heeft een prettig effect, dat allengs uitmondt in een noisy coda dat mooi overgaat naar de opmerkelijk heldere inzet van het daaropvolgende nummer. 1 1 is is een geslaagd nummer. Dat geldt ook voor nodezh dat nog het meest lijkt op het werk op Oversteps, met zijn licht melancholiek aangezette melodie, reverb-y beats en wijdse dynamiek, die gaandeweg worden begeleid door diepe, heerlijk overstuurde, theatraal aandoende synths. Nodezh is een kernvoorbeeld van de harmonieuze kant van Æ.
Runrepik had zo op Draft 7.30 of Untilted kunnen staan. Mainstream electro-funk, met lichtelijke oversturing, dat evenwel niet echt beklijft. Dat kan Mouse on Mars — zoals op hun laatste, onvolprezen Parastrophics — beter, strakker, en vooral met meer gevoel voor pop. Bij Æ lijkt het meer op een stramme proeve van bekwaamheid. Die souplesse ontbreekt ook op Runrepik en het daaropvolgende spl9, waar MOM’s Parastrophics juist uitblinkt in kneedbaarheid. ‘Autechre + funk’ is mijns inziens de minst aantrekkelijke zijde van Æ. Voor mij zijn de ‘mindfuckery’ van Confield en het geniale eerste deel van Draft, en een enkel nummer van Untilted, exemplarisch Æ, de avant-garde Æ die ik eeuwig kan aanhoren.
Cloudline is een lekker trage en monotone, ruim 10 minuten durende electronica moloch. Er gebeurt vrij weinig, is typisch Æ, en klinkt toch, hoe vreemd ook, … verfrissend. Deco Loc 2 komt in de buurt van een snd-oefening in zijn mathematische focussering op snare/bekkens zonder context, een richting die Æ wat mij betreft op moet. De half-vocalen daarentegen, cut up en delayed, die al snel opdoemen in het nummer hadden voor mij niet gehoeven; ze doen denken aan wat Andy Stott tegenwoordig doet — wiens We Stay Together en Passed Me By EPs uiterst genietbare, opzwepende en vooruitstrevende Extreme Drone-Techno ten gehore gaven, maar wiens Luxury Problems LP teveel leunde op een gemakzuchtige exploitatie van de sirene-achtige aantrekking van de vrouwelijke stem. De vocalen, of wat daarvoor doorgaat, zijn hier, op Deco Loc, vreemd aan het nummer zelf. Op EP7 experimenteerde Æ al eerder op meer geslaagde wijze met vocalen, maar zoals blijkt uit wat ze op Deco Loc doen kunnen ze vocalen voortaan beter laten — want de House-connectie, zoals blijkt uit Stott’s Luxury Problems, is al snel gemaakt.
De harde beats van Recks On herinneren wederom aan Second Bad Vilbel van Anvil Vapre — misschien wel hun beste plaat, ook al is het slechts een dubbele EP — een track die me altijd bij blijft vanwege een DJ set in de voormalige Techno-bunker in de Amsterdamse Silo (we praten 1995!). Het hauntologische, ruimtelijke geluidsspel met radio-frequenties (althans, zo klinkt het) dat volgt is uitermate fijn. Recks On is absoluut een van de betere nummers op de plaat. Afsluiter YJY UK is een rechtgeaarde Æ coda, dat alle kenmerkende elementen nog eens dramatisch samenbalt: harde beats, ragfijne synthpads, etherische melodielijnen. Het herbergt verwachting-scheppende beeldspraak in klanken. Het had op geen enkel ander album van Æ misstaan. Hier sluit het echter een onevenwichtige, twee uur durende plaat van late-Æ af.
Het is moeilijk voor te stellen hoe met dit 11e album (EXAI=XI) Æ nog vernieuwend kan worden genoemd, ook al is het zo dat ze nog steeds als geen ander klinken. Een beetje trimmen hier en daar had gekund (dan zullen we maar zwijgen over opvolger Elseq 1–5!); anderzijds, in het overproductieve digitale tijdperk waar elke scheet een LP oplevert, is een ongepolijste juweel in een mooie, sturdy LP-box — en dat is Exai — nog steeds een hebbeding.
Je vindt deze bespreking van Exai veel te lang? Dan moet je vooral niet gaan luisteren. Het is 8 plaatkanten lang! Je hebt gewoon het geduld niet. En je bent bovendien geen fanatieke Autechre-fan. Hoeft ook niet!
✒

AUTECHRE—Quaristice (Warp 2008)
Met het eerste nummer van hun nieuwe plaat zet Autechre ons meteen op het verkeerde been; het lijkt zo van Amber afkomstig. Beatloze elektronische ambient. (Dat geldt overigens ook voor de prachtige op Deathprod gelijkende coda van het laatste nummer.) Ook de daaropvolgende, tweede track, met een spastische accordion sound op een bed van blikkerige beats en cut-up vocals, had niet misstaan op eerder werk uit de jaren negentig. Te denken valt aan EP7 uit 1999, de dubbele 12˝ die op het cd format gewoon een volledig album was. Soepele edoch twitchy voortstuwende IDM. Zo ook het nummer Plyphon, waarvan de verwrongen vocalen herinnert aan diezelfde dubbele EP, de enige plaat voorzover ik me herinner waar tot nu toe Æ vocalen liet klinken. Je merkt evenwel dat Æ sinds die tijd een aantal bijna gothic-industrial aandoende platen heeft gemaakt (zeker Confield, hun absolute meesterwerk), die hun doorslag vinden op Quaristice. Het is dus niet zo dat Æ terug naar af is, of toegeeft aan de altijd opnieuw klinkende kritiek vanuit de Amber-clutching fanbase dat ze bedacht moeilijk doen. Desalniettemin lijkt het alsof Æ een proces van zelf-citatie is begonnen (de track rale lijkt zo van Tri Repetae af te komen). Bijna onvermijdelijk gezien de beperking opgegeven door de parameters waarbinnen ze kunnen opereren: hoe je het ook wendt of keert, de sound is gecentreerd rondom een plastische extensie, een ‘uittrekken en -rekken’ van ritme.
Perlence is een vroeg hoogtepunt, herinnerend aan Confield of de eerste paar nummers van het voor het overige magere Draft 7.30, het album uit 2003. D’r zit altijd een forward motion in bij een Æ track, maar het is nooit strikt lineair. Æ is zich bewust van de paradox van de perceptie van multi-dimensionaliteit: zonder een voorwaartse beat of pulse lijkt elke tegendraadse aanslag arbitrair en daar moet je je bewust van zijn. Exploratie geschiedt vanuit het bestaande. Noise is een bijproduct. Melodie is natuurlijk een oplossing, wat in Æ, die geen pop band zijn, altijd gedekt wordt door ambient geluid, textuur, als de a priori spatiale vorm (een soort software-informed mimesis van synthetic strings, waarvan het ruimtelijke veld op zijn minst een melodielijn suggereert).
Wat goed is is dat het Æ vaker lukt om ritme en sound spatiotemporeel te vernetzen, zoals op het nummer ‘parallel suns’ (dat nog lijkt te neigen, zeker naar het einde toe, naar pure sound; maar luister naar de geluidjes in het begin: dat zijn technobeats in incognito). Het is niet zo dat je beat en sound in de muziek zelf separaat kunt aanwijzen, want zelfs een volledig beat-georiënteerde technoplaat kent zijn eigen idiosyncratische sound (Jeff Mills klinkt hoorbaar anders dan Robert Hood). Æ echter sound the beat, zonder zich erdoor te laten leiden (luister naar Steels of F0 13). Daarom zijn de techno nummertjes als Tankakern nog het minst interessant: gedateerd en insubstantieel, alsof Booth en Brown op een loos moment in de studio de backtracking even aanklikken.
Is Quaristice een nieuw meesterwerk? Nu, met langgerekte miniatuurtjes zoals F013 (dat bijna psychedelisch genoemd mag worden en begint als was het een outtake van Chiastic Slide) en drum ’n’ bass exercities als 90101-5I-I behoort het tot de klassieke Æ canon, ofschoon het geen Confield is. Æ is de revolutie voorbij, en is op herhalingsoefening. Anderzijds, kan Æ eigenlijk wel een echt lor produceren?
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.