De single Paint It Black/Don’t Talk (Put Your Head on My Shoulder) die in 1998 op Mego verscheen (en in 1999 als cd single op Jim O’Rourke’s Moikai label), en een volledig verhaspelde versie van de Beach Boys track ten gehore bracht, alsook een cover van de Rolling Stones classic, luidde al het begin van de revolutie in die Fennesz op Endless Summer vervolmaakte. Endless Summer, dat deze zomer 25 jaar geleden op het Mego label uitkwam, is electronica’s belangrijkste plaat.
Ze staat in feite symbool voor het kwalitatieve einde van de electronica, om een Hegeliaanse troop te gebruiken. Dat betekent natuurlijk niet dat er sindsdien geen electronica, of zelfs goede electronica meer is verschenen. Het betekent wel dat met Endless Summer de parameters voor hedendaagse electronica zijn uitgestippeld. Alles wat daarna komt is een voortborduren op, als het niet retrogressief is (zoals veel electronica).

Anders dan de meeste electronica tot dan toe, is de melancholie, de lyrische portée, die op Endless Summer doorheen de digitale chromatiek klinkt, een uitdrukking van de fundamentele intentie van de muziek zelf. Vorm en inhoud zijn één. De tracks op Endless Summer zijn uitermate expressief, in al hun bijtende digitale Geräusch. De synth pads en strings die men normaliter op wat ambient techno werd genoemd hoorde, de electronica van voor de glitch-Wende rond 1995, waren slechts ornament voor een hoofdzakelijk nog beat-georiënteerde techno structuur.
Op sommige 12″s van Basic Channel, en al helemaal op de Basic Channel cd, hoorde je al hoe men door een Verfransung van stijlen — techno gelast aan dubtechniek — met behulp van klanken uit een techno-vreemde omgeving, dubreggae, het klankenspectrum van dance-muziek kon oprekken. Door echo en delay werden vervreemdende elementen in een doorgaans retro-romantische (vaak getypeerd als “futuristisch”) klankbeeld ingebracht. Het romantisch-introspectieve maakt plaats voor een expressionistisch, donkerder geluid, waarbij klankkleur belangrijker is dan de melodielijn van de synth arpeggios.
Glitch, beginnend met het baanbrekende Systemisch van Oval (1994), gooit voorgoed roet in het romantische eten van ambient techno. De glitch als betekenaar duidt op een distantie, een onbereikbare, openheid ook. Glitch is niet het ornament van een verder harmonische structuur (beat + melodie), maar wordt het centrale punt van de compositie. De Weense scene rondom Peter Rehberg, Ramon Bauer, Andi Pieper en anderen weten dit tot in het extreme door te voeren met hun pure computermuziek als noise. Het proces, de sound van de computer zelf, wordt geniaal uitgemolken op platen van General Magic, Pita en Farmers Manual.
Rehberg weet dit samen met Jim O’Rourke en Fennesz ook live om te zetten met het trio Fenn’O’Berg, dat live improviseert met een enorme bank aan samples op hun laptops. De zgn Laptopmuziek, vaak belachelijk gemaakt, is geboren. Maar is proces alles? Wordt proces, geabstraheerd van zijn context, zo niet zelf tot zijn eigen ornament?
Fennesz opereert op zijn tweede soloplaat Plus Forty Seven Degrees 56′ 37″ Minus sixteen Degrees 51′ 08″ (1999) nog volledig binnen het kader van die Weense exploding star van computernoise, met een van digital distortion doordrenkte sound. Een weldadig caustisch bad dat onaflatend is en volledig overweldigt in zijn sublimiteit. Endless Summer is, slechts twee jaar later, in veel opzichten de volledige tegenpool, een stijlbreuk, ofschoon men eigenlijk moet spreken van een kanaliseren van de eerdere intense noise. De distortion en dissonantie zijn geenszins verdwenen, maar Fennesz weet ze te koppelen aan hemelse melodieën, wat de muziek een schijnbaar harmonisch voorkomen verschaft en Endless Summer tot een onwaarschijnlijke “popplaat” binnen het electronica-genre maakt.
Fennesz zet digitale distortion, hier: de glitch, in, niet omwille van zichzelf als een soort high art for art’s sake, maar om de textuur voor een melodielijn te creëren, een simulacrum van een popsong, dat een ambigu gevoel moet evoceren. Proces als inhoud, niet louter als vorm. De duidelijk harmonische melodielijnen treden uit de context van de viskeuze geluidssoep naar voren, het wordt niet overlegd, bedekt met static. De static is het basismateriaal voor een digitale chromatiek in de muziek, dat door de verstoringen en stuiteringen in het geluid een soort dubbelheid in de expressie waarborgt. David Toop over Fennesz’s versie van Don’t Talk (Put Your Head on My Shoulder):
This meditation on stillness and romance drowned itself rather beautifully in a confusion of emotions. Trace memories of its source were picked apart with fastidious care to leave a web of trace memories hanging in electrolysed air.
Fennesz sprays atmospheric distress all over the screen of his paradise longing. … [a] process of shadowing a direct emotional response with technological masks.
De tracks op Endless Summer, en vooral de 15 minuten durende extended versie van Happy Audio op de 2010 dubbele vinyl remaster, als afsluiter van de plaat, zijn een ge-loopte aaneenschakeling van ‘broken lines’, een spoor van ‘semaphore glitches’, die de inlossing van een basaal verlangen oneindig uitstellen. Popmuziek ten voeten uit, maar waarbij het rauwe geluidsmateriaal de primaire functie vervult. ‘Sweet dreams fading in the harsh light of mediated emotion.’
Is Endless Summer Fennesz’ beste? Niet per se. Venice and Black Sea zijn in zeker opzicht verfijnder en meer uitgebalanceerd wat sound betreft. Op Endless Summer zijn de lassen tussen pop en noise nog duidelijk hoorbaar gelaten. Het caustisch-acidische van Plus Forty Seven is nog niet zo ver weg. Maar op Endless Summer krijgt de revolutie in electronica zijn beslag, op latere platen borduurt Fennesz hierop voort. Endless Summer is het kwalitatieve begin en einde van de electronica.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.