

TORTOISE — BEACONS OF ANCESTORSHIP (2009)
Toen de plaat begin mei gelekt werd tipte ik een collega en had ik het over de — naar ik dacht geniale — titel ‘Beacons of Craftsmanship’. Dat was in zekere zin een Freudiaanse verspreking. Binnen de indie in de Amerikaanse muziek waren er in de jaren negentig eigenlijk maar weinig echt goede, ambachtelijke muzikanten die verder gingen dan drie akkoorden, een vierkwartsmaat en wat distortion parafernalia. Naast verwante bands als Slint en de hele post-hardcore scene van begin en mid-jaren negentig — denk Bastro, Rodan, June of 44, Codeine, Rex — was Tortoise de band die er met kop en schouders bovenuit stak. Standard-bearers of craftsmanship in rock. Muzikaliteit boven statement en pose, zeker tussen al dat al lang vergeten grunge-gebeuren. Niet in het minst kwam dat doordat Tortoise als geen ander het genre van rock tout court geheel ontsteeg.
Hun eerste concerten kan ik me herinneren als een naar mijn idee (hoe open-minded!?) lichtelijk teleurstellend vertoon van … inderdaad vakmanschap, nota bene op de marimba en vibrafoon, niet bepaald instrumenten die je associeert met coolness. Zelfs in de jazz was (en is) het behoorlijk uncool om vibes in je instrumentarium te hebben, laat staan als lead instrument te gebruiken. Charles Tyler’s ESP debuut uit 1966, een geniale plaat trouwens, was wat dat betreft een revolutie in de jazz. Wat ik destijds, in de Sleepin Arena nog meen ik, hoorde kwam bij mij in ieder geval over als gratuit gepiel.
Die teleurstelling lag meer aan mijn behoefte aan een instant kick aan gitaristische tegendraadsheid, die in de jaren negentig plentiful werd geleverd door eigenzinnige bands als Trumans Water, Pavement en Polvo, om de drie belangrijkste te noemen, bands die juist van gepiel ook het een en ander afwisten. Maar dat was gepiel van een andere, minder sophisticated orde dan wat Tortoise presteerde. En minder sophisticated staat voor sommigen — en mezelf destijds — garant voor beter. Trumans Water’s debuut op de Nederlandse podia in het Patronaat in 1993 verwarde menigeen doordat het onduidelijk was wanneer de soundcheck nu was geëindigd en het concert begonnen. Pavement in het voorprogramma van Sonic Youth in Eindhoven anno 1992 maakte het al even bont, mede omdat hun beruchte drummer Gary Young nog achter de traps zat. Craftsmanship? Forget it. Showmanship perhaps. De kloof tussen de intense lo-fi slacker-rock rond 1993 en Tortoise’s mathematische, ietwat zielloze constructies kon niet breder.
Tortoise luidde het einde in van de lo-fi. Laten we zeggen vanaf hun doorbraak Millions Now Living Will Never Die. Alles wat daarna, dus pakweg na 1996, aan lo-fi uit is gekomen is romantisch anachronisme. Tortoisemuziek kenmerkt zich door een transparant hi-fi geluid, iets wat tot 1996 vreemd was aan onafhankelijke rock, of zelfs taboe. Het ontbrak de meeste indierock aan — om met een titel van Polvo te spreken —production values. Millions Now Living verschaft de standaard, het baken voor heldere productie in onafhankelijke, non-mainstream muziek.
De plaattitel, overigens, lijkt te verwijzen naar de titel van Judge Rutherfords toespraak gericht aan een massa hoopvolle bijbelonderzoekers in 1919, die meenden nooit te zullen sterven omdat God elk moment kon ingrijpen in het wereldgebeuren. Voor zover ik weet is deze typisch Amerikaanse ironie nooit opgepikt in recensies van wat algemeen wordt gezien als Tortoise’s meesterwerk — Tortoise als een tongue-in-cheek ode aan Amerikaans vroeg-twintigste-eeuws evangelisme! De strakheid van Tortoise symboliseert de midwest mentaliteit van de gemiddelde bijbelvaste Amerikaan, waar Steely Dan, als prototypisch voor de amoraliteit van Los Angeles, volkomen werelds is en Sonic Youth een Nuyorkiaans-protestants moralisme uitstraalt.
De plaat zelf is een indrukwekkend epos in door krautrock beïnvloede exercities in sound design. Ik ben persoonlijk niet zo’n fan van de plaat; dat is puur subjectief, want ik kan niet aanwijzen waarom. Opvolger TNT, die destijds een regen van kritiek te verduren kreeg, is mijns inziens het echte meesterwerk. Een jazzrocklounge-plaat die laat zien dat Tortoise muzikaal de ankerplaats van de rock en hardcore vol vertrouwen heeft verlaten, in de richting van Steely Dan circa Aja en weg van het template van aartsrockers Sonic Youth (als Tortoise daar ooit al iets aan ontleend heeft). De eerste ook waarop ze veelvuldig gebruik maakten van ProTools: digitalisering als kunstzinnig adieu aan de romantiek van rock.
TNT zou nu voor de hifi freaks moeten zijn wat Aja was in de jaren zeventig. TNT zou op elke high end draaitafel als test copy moeten worden gespeeld. Clean, clear en meticulous. MU-ZI-KA-LI-TEIT. Dat zijn vieze woorden in de indierock en -pop. En daarom is Tortoise, met name op TNT en opvolgers Standards en vooral het onvolprezen It’s All Around You, ook de nemesis van lo-fi indie shit post-1996, dat onkunde post factum sublimeert tot absolute waarde. En met post factum bedoel ik de boodschap die verscholen ligt in de eerder vernoemde titel Millions Now Living: dat is niet in eerste instantie een boodschap van hoop (want waarop?), maar vooraleer een verborgen aanklacht aan het adres van de wereld van de rock, die alleen gehoord kan worden door de uitverkorenen, namelijk hen met OREN die luisteren. Als Millions het al niet was, dan is TNT de absolute indictment van de rock die zich niet vergewist heeft van dit feit.
Tortoise is op een belangrijk punt ook verder dan Steely Dan. Want wat Tortoise onderscheidt van Steely Dan, die in hun teksten teveel leunen op quasi-ironische referenties aan gefrustreerde burgermannen in hun midlife crisis (zeker op hun laatste twee overigens uitstekende comeback albums), is het typische non-communicatie ethos van indiepop, dat bij Tortoise culmineert in het volledig ontbreken van vocalen. Ironie is nog te burgerlijk; indifferentie is effectiever.
De vraag rijst nu: heeft Tortoise zich zelf gehouden aan de parameters die met TNT waren gestipuleerd? Standards en It’s All Around You waren bevestigingen van het beschikbare, kritische klankenpalet dat TNT uitstippelde. Vaak wordt gesproken over diminishing returns, met als ‘dieptepunt’ It’s All Around You. Ook daar verschil ik met de critici. Wat de op het eerste gezicht polychrome hoes in beelden zei kwam goed door in het geluid: It’s All Around You levert classic pop zonder lyriek, zonder valse romantiek, en zonder primitivisme. Tussen It’s All Around You en Beacons of Ancestorship ligt ruim 5 jaar, een lange tijd, waarin Tortoise zich bezinde op de toekomst (in de tussentijd brachten ze het onmisbare allegaartje A Lazarus Taxon en een LP met opmerkelijke covers gezongen door Bonnie Prince Billy uit).
Het resultaat van die reflectieperiode is verbluffend. Beacons of Ancestorship is een beest van een plaat, zeker de eerste helft. Opener High Class Slim Came Floatin‘ In is een ritmisch vehikel waaroverheen een filmische melodie wordt doorspekt met een zware distorted (compressed?) synth riff. De sound is spectraal. De bekkens sissen op weloverwogen momenten. Het tempo wisselt, minder gehaast, na de 2e minuut, het synthgeluid wordt nog spectraler met goed gedoseerde percussieslagen. Om dan bij 4:44 weer terug te keren naar shock & awe distortion op de synthesizer met ditto staccato ritmepatroon, waaruit langzamerhand de eerdere melodie weer opklimt om te eindigen in een waas van door een simpel, doch fors bas- en synthloopje aangestuurde … hmm, ja, spectraliteit! Dit is gewoon je reinste zelfbewustwordingsproces in klanken.
Die absoluut heldere positie, het zelf dat zichzelf hoort weerklinken, is het vertrekpunt van Prepare Your Coffin; ja inderdaad, de titel had niet paradoxaler gekund. Het is het meest open geluid van de plaat. Die titel is een Sein zum Tode-verklaring zonder metafysica: Nirvana, het Niets. Oftewel evenwicht. Tortoise klinkt als de perfecte backing band zonder leader. Heel prettig ook die in indierocktermen volstrekt foute gitaarsolo na 2 minuten in, met bijpassende piano-riff. Het slot van Prepare Your Coffin ligt in het volgende nummer: het intro van Northern Something, een combinatie van akoestisch zuiver geklap en digitaal gecomprimeerde riffs, verenigt de dubbelheid die in het vorige nummer nog open en bloot lag. De akoestische, lichte gitaar, de floor toms en de urgente snare drum van Gigantes brengt vervolgens wat ongecomprimeerde luchtigheid. Penumbra is een heerlijk tussenwerpsel van electronische drums en synths.
Wat daarna komt overtuigt niet: het Chinees getitelde Yinxianghechengqi is een monomaan uitgevoerde oefening in riffologie, met de vinger permanent op de compressieknop. Je zou anderzijds kunnen zeggen dat, in het midden van de plaat, het een terugval symboliseert in de rockpose. In dat opzicht past het in het dialectische geheel van de plaat, en is het een directe kritiek op op luistergenot gefocust luisteren. Het nummer eindigt wel weer mooi met spectraal geïmproviseer. Op The Fall of Seven Diamonds Plus One hoor je het ouderwetse TNT lounge-geluid, met orgel en een vage Pink Floyd referentie (dat sonore getik dat je door het hele nummer heen hoort doet denken aan Time van Dark Side of the Moon).
Vanaf Minors tot het einde lijkt de automatische piloot ingeschakeld te worden. Maar dat mag ook gerust, want de piek, het punt van het zichzelf transparante bewustzijn van wat GELUID is, heeft zich al aangediend. De tweede helft van de plaat is het Schlaraffenland van Tortoise-muziek. Ze kunnen nu gerust denken aan de volgende zet, de volgende plaat. (eerder verschenen in Cut-Up)

TORTOISE — THE CATASTROPHIST (2016)
Vroeg in 2016 was er opeens The Catastrophist, 7 jaar na Beacons of Ancestorship en 6 jaar nadat ze voor het laatst iets hadden uitgebracht – de smakelijke Japan-only Why Waste Time EP kwam in 2010 uit, die ik in Tokyo op de kop getikt heb; luister vooral naar de Markus Ernestus mix van de track Gigantes en de 13-minuten lange exclusieve track Ice, Ice Gravy op die EP; die titel refereert aan het roemruchte nummer van faux rapper Vanilla Ice, dat de 40-plussers onder ons nog wel kennen.
The Catastrophist schittert door afwezigheid in alle officiële eindejaarslijstjes, en dat voor een band die in 1996 met Millions Now Living zeer hoge ogen scoorde bij menig criticus, en ook met opvolger TNT tot de verbeelding bleef spreken (ook bij mij eindigde The Catastrophist slechts op #17, maar hij staat er op z’n minst in).
Na Standards uit 2001 werd Tortoise half vergeten, ofschoon in 2004 toch het weldadige It’s All Around (in een toepasselijke polychrome hoes met een afbeelding van een zalige jungle-omgeving) uitkwam, alsmede, in 2006, leuk tussendoortje The Brave and the Bold, met covers gezongen door Will Oldham (o.a. cover van ’n Elton John lied!), en, niet te vergeten, de essentiële verzamelbox A Lazarus Taxon, met remixes, the vroege Gamera EP, de Rhythms, Resolutions & Clusters 12˝, videos en wat dies meer zij.
Het eerste Tortoise-concert dat ik ooit bijwoonde moet, als ik me niet vergis, in 1994 of ’95 geweest zijn, in de toenmalige Sleepin in Amsterdam, ten tijde van hun titelloze debuut-LP, die nog altijd imponeert; ik kan me herinneren dat al die verkwikkelijke polyfonie op de vibrafoon me toen niet echt raakte (of misschien wel irriteerde). Het laatste concert dat ik van ze bijwoonde was in the Royal Festival Hall in Londen, eind november 2009, toen ze op het London Jazz Festival optraden (met het legendarische Cluster in het voorprogramma!). Als je bedenkt dat die zaal meestal voor klassieke muziek en bedeesde wereldmuziek wordt gebruikt (met zitplaatsen die niet verwijderd kunnen worden), dan is het duidelijk dat Tortoise gaandeweg tot de gearriveerden is gaan behoren — post-rock indeed! (bizar dat ook Autechre afgelopen jaar in diezelfde zaal in het pikkedonker, zoals gebruikelijk bij hen, optrad).
De heren van stand van Tortoise hebben hun positie als vaandeldragers van post-rock en Chicago avant-jazz geconsolideerd en dat hoor je op de laatste cd. Op The Catastrophist doet Tortoise niets wat je niet zou kunnen verwachten, als je hun back catalogue goed genoeg kent — alles klinkt natuurlijk als de hun eigen volledig beheerste gehomogeniseerde heterogeniteit, ofschoon de uitbundig-geniale electronically enhanced, en met ettelijke BPMs vertraagde, cover van David Essex’s 70s MOR song Rock On je even van je apropos brengt. Is dit pastiche of parodie? Potjandikkie, Tortoise ‘rockt’, edoch op postmoderne wijze, dus het kan, en da’s maar goed ook, want het luistert lekker weg.
Het andere vocale nummer, met Georgia Hubley (Yo La Tengo) als vocalist, vind ik minder geslaagd (hier wreekt zich overigens de inmiddels gebruikelijke compressed sound van late stijl Tortoise, die elders op de plaat geenszins stoort). Het titelnummer, waarmee de plaat van start gaat, is de kwintessens van Tortoise, met impliciete referentie aan eigen vroegere werk op de eerste twee platen (dub en electronica partout), maar dan met de funked-up sound design van een plaat als Beacons, de voorganger uit 2009. Nog duidelijker dan op die plaat blijkt dat de leden van Tortoise gewoon rasechte muzikanten zijn, als dat niet al van meetaf aan duidelijk was. De respectieve bijdragen van de instrumentalisten zijn altijd helder en distinct hoorbaar: neem bijvoorbeeld de gitaarlijnen van Jeff Parker op Hot Coffee tegen een achtergrond van een strak ritme en coole synths, misschien wel de beste en mooiste track van de plaat. Het ademt een prettige grotestadssound: flair met voorwaartse drive.
Ox Duke, met z’n exotische shuffle en optimistische riedel, had zo op het jazzy TNT gekund, net zoals het zacht fonkelende The Clearing Fills, met z’n lichtelijk verwrongen atmosferische coda éen van de letterlijk mooiste nummers van Tortoise überhaupt. Ook Tesseract ademt een TNT feel. Maar vaak, zoals mooi gedemonstreerd op Ox Duke, met genoeg het klankenspectrum harmonisch opvullende vibrafonen en synths en het karakteristieke gedecideerde dubbele drumwerk, dat er zelfs bij zo’n relatief lankmoedig nummer als voornoemd Ox Duke toch aardig inbeukt, al is het op gepaste wijze en niet overheersend. Er is ook plaats voor ietwat kolderieke synths + drums exercities zoals het korte Gopher Island. Shake Hands With Danger is een aanlokkelijk, lichtelijk dreigend samenspel tussen wat lijkt op glockenspiel, matig distorted hard-jazz gitaarriffs en bot drumwerk. Een raar maar mooi nummer.
Enige echte tegenvaller is het nummer dat als pre-release track kon worden gestreamd: Gesceap kan me niet overtuigen, teveel hinkend op repetitie en eigenlijk gewoon going nowhere. En Japan-only extra track The Mystery Won’t Reveal Itself (To You) is Tortoise as in painting by numbers: waarschijnlijk uit het archief geplukt, in ieder geval een niemendalletje dat je niet mist als je gewoon de Europese versie hebt. Al met al, volkomen onterecht dat bij de toekenning van prijzen afgelopen december The Catastrophist niet de lof heeft gekregen die het verdient. Wat me overigens steeds verwondert is hoe Tortoise het voor elkaar krijgen een compressed-to-hell cd zo goed te laten klinken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.